UITBOUW VAN DIENSTEN AANGEPAST VERVOER
IN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
INLEIDING
I. PROBLEEMSTELLING EN PRINCIPES VAN
OPLOSSING
1.1. Probleemstelling
1.2. Principes van oplossing
II. CONCRETE OPLOSSINGEN EN HUN
COMPLEMENTARITEIT
2.1 Toegankelijk openbaar vervoer
2.2 Diensten aangepast vervoer
2.3 Budget-gerichte oplossingen
III. OVERZICHT VAN HET HUIDIG SPECIFIEK
VERVOERAANBOD
3.1 Medisch vervoer door de
mutualiteiten
3.2 School- of werkgebonden vervoer
3.3 Woongebonden vervoer
3.4 Noodvervoer
3.5 Openbare initiatieven
3.6 Private niet-commerciële
initiatieven
3.7 Private commerciële initiatieven
3.8 Mobielen Centrales
3.9 Diensten voor aangepast vervoer
BESLUIT
IV. WERKING VAN DE REEDS BESTAANDE
DIENSTEN
4.1
Doelstelling
4.2 Werking
4.3
Personeel
4.4
Toekomstperspectieven
V.
VOORSTEL TOT UITBOUW VAN REGIONALE DIENSTEN AANGEPAST
5.1 Aantal, spreiding, en grootte van de
vervoersdiensten
5.2 Geleidelijke, stapsgewijze uitbouw
5.3 Werkingsprincipes
5.4 Organisatie
5.5 Wagenpark
5.6
Personeel
5.7 Juridische vorm
5.8
Financiering
VI. BESLUIT
INLEIDING
Het Overleg van
Diensten voor Aangepast Vervoer (afgekort O.D.A.V.) is een samenwerkingsverband
tussen gelijkaardig werkende Diensten voor Aangepast Vervoer voor personen met
een beperkte mobiliteit.
Het overleg is ontstaan in 1992 naar aanleiding van de
problemen die elk van deze diensten ondervond om het hoofd financieel boven
water te houden en vanuit de overtuiging dat deze dienstverlening over heel
Vlaanderen moet uitgebouwd worden. ODAV wil dan ook in de eerste plaats een
drukkingsgroep zijn om het beleid ervan te overtuigen de nodige middelen te
voorzien voor de uitbouw van het Aangepast vervoer in de Vlaamse Gemeenschap.
Daarnaast is het de bedoeling om ook de werking van de
diensten meer op elkaar af te stemmen, zodat dat de gelijkvormigheid van de
dienstverlening groeit.
Met dit rapport wil ODAV zijn visie geven op de
mobiliteitsproblematiek van gehandicapten en minder-mobiele personen.
In het rapport wordt eerst een overzicht gegeven van wat er
momenteel aan (deel)oplossingen bestaat voor de geschetste problematiek en wat
de lacunes hierin zijn.
Daarna wordt weergegeven hoe de bij ODAV aangesloten
diensten momenteel werken en hoe deze manier van werken kan veralgemeend
worden.
Tenslotte wordt er een voorstel gedaan tot uitbouw van een
netwerk van Diensten voor Aangepast Vervoer in Vlaanderen en wordt geschetst
hoe deze (deel)oplossing past binnen een globale aanpak van de
mobiliteitsproblematiek voor de beoogde doelgroep.
Dit rapport werd op ruime schaal verspreid en besproken en
wordt ondersteund door een groot aantal organisaties die te maken hebben met de
problematiek van gehandicapten, minder-mobielen en mobiliteit. Het dient
beschouwd te worden als een werkdocument om de discussie rond mobiliteit verder
op gang te brengen met de uiteindelijke bedoeling om tot een globale en
structurele oplossing van de geschetste problematiek te komen.
I.
PROBLEEMSTELLING EN PRINCIPES VAN OPLOSSING
1.1.
Probleemstelling
Zich vlot verplaatsen is voor de
overgrote meerderheid van de burgers een dagelijkse vanzelfsprekendheid. Naar
keuze beweegt men zich op eigen kracht te voet of per fiets, men gebruikt de eigen wagen, bromfiets of
motorfiets of men neemt taxi, tram, bus, metro, trein of vliegtuig. Zo komt men
snel en vlot waar men wil komen. Afhankelijk van de financiële middelen
waarover hij beschikt kan elke burger zich al dan niet verzekeren van vervoer
op de gewenste tijdstippen, naar de gewenste plaatsen en met het gewenste
comfort.
Dit geldt niet voor personen die door
een beperkte mobiliteit geen gebruik kunnen maken van het openbaar
vervoersaanbod. Hun bewegingsbeperktheid verhindert hen om gebruik te maken van
de bovenstaande verplaatsingsmiddelen. Dit omwille van:
- de moeilijkheid of de onmogelijkheid
om zich op eigen kracht te verplaatsen;
-de beperkte actieradius van manuele
of elektrische rolwagens, omwille van:
*de begrensde technische mogelijkheden
van de rolwagens;
*de beperkte berijdbaarheid van de
wegen of voetpaden;
*de
weersomstandighed
*de onbeschikbaarheid van derden voor
zover hulp nodig is;
- de onaangepastheid van het openbaar
vervoer:
*de vaste opstapplaatsen zijn
onbereikbaar omdat de afstand woonplaats-opstapplaats niet kan overbrugd worden;
*de ontoegankelijkheid van de
opstapplaatsen en de erbij horende voorzieningen
*de ontoegankelijkheid van de vervoermiddelen zelf voor wat de instap en
de plaatsing in het voertuig betreft;
*onbeschikbaarheid van derden voor
zover hulp nodig is;
*de overstaptijden die berekend zijn op
maat van zeer mobiele personen;
- de onmogelijkheid om zelf met een
auto te rijden, ongeacht het gamma van technische aanpassingen en elektronica
die momenteel ter beschikking staan; zelfs meerijden is onmogelijk voor veel
personen met een handicap;
- de onbeschikbaarheid van chauffeurs
of derden op ogenblikken dat het vervoer gewenst wordt zelfs al beschikt men
over een aangepaste wagen;
- de onbeschikbaarheid van (A.D.L.)
assistentie tijdens verplaatsingen van langere duur of op de plaats van
bestemming;
- de te beperkte eigen financiële
mogelijkheden of (overheids)tussenkomst om het aangepaste vervoer (rolwagen,
aangepaste wagen of minibus) en assistentie te bekostigen.
Bovenop de bewegingsbelemmering door
de handicap komt dus ook nog een mobiliteitsbeperking.
Nog al te dikwijls leidt dit tot
verlies van alle kansen op het vlak van wonen, opleiding, ontspanning en
tewerkstelling. Mobiliteit blijkt een basisvoorwaarde te zijn voor de
toegankelijkheid van het maatschappelijk aanbod. Een oplossing voor dit mobiliteitsprobleem
kan dus niet achterwege blijven.
1.2. Principes van oplossing
O.D.A.V. vertrekt hierbij van een
aantal basisideeën m.b.t. het recht op mobiliteit van minder-mobiele personen:
1) Het recht voor minder-mobiele
personen op toegankelijkheid van het maatschappelijk aanbod, evenwaardig aan de toegankelijkheid hiervan voor mobiele personen. Het recht op toegankelijke
mobiliteitsvoorzieningen is een voorwaarde hiertoe. (Onder fysieke
toegankelijkheid verstaan wij de bereikbaarheid, de betreedbaarheid en de
bruikbaarheid van mobiliteitsvoorzieningen).
2) De overtuiging dat alle
inspanningen op het vlak van toegankelijkheid, van opleiding, scholing,
tewerkstelling, huisvesting, cultuur en welzijn voor minder-mobiele personen
maar zullen renderen wanneer ook de mobiliteit van deze personen gegarandeerd
is: uit werken gaan, naar school gaan, zelfstandig (blijven) wonen, deelnemen
aan het sociale leven eisen een geregeld en verzekerd gebruik van
mobiliteitsvoorzieningen.
3) De positieve vaststelling dat de
medische technologie grote vooruitgang boekt in de medische revalidatie en
daartoe ook heel wat middelen toegewezen krijgt. Daarnaast is er de overtuiging
dat de sociale technologie, in concreto de sociale mobiliteitsvoorzieningen, in
functie van de sociale revalidatie, evenwaardig moet aansluiten op de
gerealiseerde medische revalidatie.
4) De overtuiging dat actueel in alle
lagen van de bevolking de beeldvorming m.b.t. minder-mobiele medeburgers
meer vertrekt van gelijkwaardige
mogelijkheden en talenten dan van hun beperkingen, zodat onze vraag naar
toegankelijke vervoersvoorzieningen op een reëel draagvlak berust.
Bij het bedenken en realiseren van oplossingen voor het
vervoer van fysiek gehandicapten en minder-mobielen moet men echter rekening
houden met alle hierboven aangehaalde specifieke problemen en
bedenkingen. Concrete oplossingen moeten dan ook een antwoord bieden op de
veelheid van concrete problemen.
Zo is het van essentieel belang te onderkennen dat de minder-mobiele
persoon een oplossing zoekt voor zijn algemene mobiliteitsvraag, hetgeen niet
te herleiden is tot het losstaand van elkaar beantwoorden van de vraag naar
georganiseerd individueel vervoer (Diensten Aangepast Vervoer), naar aangepast
openbaar vervoer en naar individueel persoonlijk vervoer via de toekenning van
een persoonlijk budget.
Gedeeltelijke, onsamenhangende en onvolledige oplossingen resulteren in
immobiliteit en ontoegankelijkheid van
de samenleving.
Dit betekent dat de verschillende
deelvragen samenhangend en complementair aan elkaar moeten beantwoord worden,
wil men een concreet mobiliteitsaanbod realiseren voor minder-mobiele personen,
evenwaardig aan het maatschappelijk mobiliteitsaanbod voor mobiele personen.
II. CONCRETE OPLOSSINGEN EN HUN COMPLEMENTARITEIT
HET DRIELUIK: DIENSTEN AANGEPAST VERVOER / AANGEPAST OPENBAAR VERVOER
/ BUDGET-GERICHTE OPLOSSINGEN
2.1. Toegankelijk Openbaar vervoer.
Bij het realiseren van toegankelijke
mobiliteitsvoorzieningen voor minder-mobiele personen moet uitgegaan worden van
een inclusief beleid: de minder-mobiele persoon moet maximaal de mogelijkheid
krijgen tot gebruik van het openbaar vervoer.
Dit betekent dat de minder-mobiele
persoon voor zijn mobiliteit alleen aangewezen is op het gebruik van aparte
aangepaste vervoersvoorzieningen, in casu Diensten Aangepast Vervoer, wanneer
het openbaar vervoer niet toegankelijk en / of beschikbaar is.
Maar, een exclusieve keuze voor toegankelijk openbaar vervoer als dé
oplossing voor de mobiliteit van minder-mobiele personen kan niet. Voor heel
wat mensen is zelfs een maximaal aangepast openbaar vervoer niet bereikbaar,
niet altijd beschikbaar, of gewoon niet bruikbaar zelfs na maximale aanpassing.
2.2. Diensten Aangepast Vervoer.
Momenteel kent O.D.A.V. een
viervoudige functie toe aan de Diensten Aangepast Vervoer:
1) Vervangend zijn voor het openbaar
vervoer, voor zover dit (nog) niet maximaal toegankelijk is en voor de tijd die
nodig zal zijn om deze toegankelijkheid te realiseren.
2) Vervangend zijn voor het openbaar
vervoer voor die minder-mobiele personen voor wie, omwille van de zwaarte van
de handicap, zelfs maximaal aangepast openbaar vervoer ontoegankelijk blijft.
3) Complementair zijn aan het
(aangepast) openbaar vervoer m.b.t. de overbrugging van de vertrekplaats naar
de opstapplaats van het openbaar vervoer en van de afstapplaats naar de
bestemming van de cliënt voor zover deze overbruggingen ontoegankelijk zijn
voor minder-mobiele personen.
4) De mogelijkheid geven aan
minder-mobiele personen om zich op gelijk welk moment te verplaatsen (dus ook
buiten de uren van het openbaar vervoer), gelijkwaardig aan de mogelijkheden
van mobiele personen.
Onder Diensten Aangepast Vervoer
verstaat ODAV regionale vervoerdiensten die beschikken over een aangepast
wagenpark, chauffeurs en een dispatching-centrale en die deur-aan-deur vervoer
aanbieden aan al wie géén gebruik van het openbaar vervoer kan maken.
De uitbating hiervan zien wij bij
voorkeur gebeuren door een door de overheid gesubsidieerd initiatief.
Afhankelijk van het volume van subsidiëring zullen de tarieven gedrukt kunnen
worden naar het niveau van openbare vervoertarieven en vergelijkbaar zijn met
de prijs die de mobiele burger betaalt voor zijn verplaatsingen.
Omwille van het basisprincipe van
maximale inclusiviteit bij het oplossen van de vervoersvragen van
minder-mobiele personen, zullen de diensten Aangepast Vervoer in de eerste
plaats als organisator optreden. Dit doen zij door het openbaar vervoer maximaal
in te schakelen bij het organiseren van de verplaatsing. Wanneer inpassen van
het openbaar vervoer niet mogelijk blijkt, garanderen de Diensten Aangepast
Vervoer toch de mobiliteit van minder-mobiele personen. Tenslotte blijft
mobiliteit, als prioritaire doelstelling, de schakel naar toegankelijkheid van
het maatschappelijk aanbod.
2.3. Budget-gerichte oplossingen.
In de optie van de budget-gerichte
oplossingen worden door het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie budgetten ter
beschikking gesteld van minder-mobiele personen om de meerkosten te dragen die
de organisatie van het eigen vervoer met zich meebrengt. Zij kunnen een
individuele wagen aanpassen via een tussenkomst voor Individuele Materiële
Bijstand en chauffeurs aantrekken via een Persoonlijk Assistentiebudget.
Een eventuele keuze, uitsluitend voor
deze deeloplossing, met afwijzing van de deeloplossingen Diensten Aangepast
Vervoer en Aangepast Openbaar Vervoer, is niet alleen duur, maar zal bovendien
een groot gedeelte van de minder-mobiele personen (wie zich geen eigen wagen
kan of wil aanschaffen) uitsluiten van mobiliteit en hen discrimineren t.a.v.
mobiele personen.
Zonder het belang van
de verdere aanpassing van het openbaar vervoer en de budget-gerichte
oplossingen te miskennen, gaat O.D.A.V in dit dossier enkel dieper in op de
blijvende en belangrijke behoefte aan georganiseerd individueel aangepast
vervoer. Die kan beantwoord worden in de operationalisering van een netwerk van
Diensten Aangepast Vervoer.
III. OVERZICHT VAN HET HUIDIG SPECIFIEK VERVOERSAANBOD VOOR
MINDER-MOBIELEN
Het is van belang ook een overzicht te
geven van de reeds bestaande specifieke vervoersmogelijkheden voor
minder-mobielen, die in hun huidige vorm echter geen afdoende oplossing bieden
voor de individuele vervoersproblematiek van minder-mobiele personen.
3.1. Medisch vervoer door (of
terugbetaald door) mutualiteiten
Voor opname in en bij ontslag uit een
ziekenhuis kan men beroep doen op vervoer door een gespecialiseerde dienst
ziekenvervoer, terugbetaald door het ziekenfonds.
Dit vervoer met ambulancevoertuigen
staat ook ter beschikking voor het individueel vervoer van minder-mobiele
personen. De aangerekende kilometervergoeding (tot ongeveer 2€/km) en het vaak
niet-aangepast zijn van de voertuigen voor rolwagenvervoer maken dat dit
vervoer enkel in specifieke noodsituaties gebruikt wordt.
3.2. School- of werkgebonden vervoer
Vervoer naar scholen voor buitengewoon
onderwijs, beschutte werkplaatsen, dagcentra en semi-internaten kent een
wettelijke regeling en wordt als dusdanig gesubsidieerd.
Dit vervoer is 'voorzieninggebonden'
en biedt geen oplossing voor vervoer in functie van andere levensgebieden of op
andere momenten.
3.3. Woongebonden vervoer
Ook al bestaat er omzeggens geen
subsidiëring voor, toch bieden verschillende gehandicaptenvoorzieningen en
bejaardentehuizen aangepast vervoer aan voor groepsactiviteiten,
instellingsdoeleinden of individuele activiteiten. De kosten worden ofwel
individueel aangerekend (kostprijs gedeeld door het aantal gebruikers) of
opgenomen in de algemene kosten van de instelling.
Bij individueel gebruik moet meestal
de volledige 'kostprijs' betaald worden, zonder rekening te houden met de
personeelskost (de chauffeurs zijn meestal personeelsleden van de instelling).
Het gaat dan ook om relatief duur
vervoer, dat bovendien uitsluitend gebruikt wordt door de cliënten van de
voorziening, en voorzover er personeel kan voor vrijgemaakt worden.
3.4. Noodvervoer
Ambulancevervoer voor dringende
kliniekopnames, verplaatsingen tussen klinieken, bij ongevallen enz. is slechts
oproepbaar in noodgevallen en vormt geen oplossing voor de vraag naar
mobiliteit.
3.5. Openbare initiatieven
In een aantal gemeenten is het
O.C.M.W. of de sociale dienst van de gemeente overgegaan tot de aankoop van een
aangepaste minibus. Meestal werd hierbij geen afzonderlijke dienst uitgebouwd,
maar wordt zowel de dispatching als het vervoer gedaan door het
gemeentepersoneel. De voorwaarden om van dit vervoer gebruik te maken en de
prijs die de klant betaalt, zijn verschillend van gemeente tot gemeente.
Alhoewel het initiatief lovenswaardig is heeft het een aantal tekortkomingen:
-ongeschoold personeel;
-het vervoer is meestal slechts
beschikbaar op weekdagen, tijdens de kantooruren;
-het vervoer is dikwijls prioritair
beschikbaar voor groepsvervoer van instellingsbewoners in het kader van
instellingsactiviteiten;
-het aanbod is meestal uitsluitend
beschikbaar voor inwoners van de eigen gemeente.
3.6. Private niet-commerciële initiatieven
Een aantal plaatselijke verenigingen
van gehandicapte personen schaft zich een aangepaste wagen aan in functie van
hun verenigingsactiviteiten (sport, cultuur, vorming). Het gebruik van deze
voertuigen blijft veelal beperkt tot de -leden van de verenigingen en tot
verplaatsingen in het kader van de activiteiten van de betrokken verenigingen.
3.7. Private commerciële initiatieven
Enkele taxibedrijven beschikken over
aangepaste voertuigen. Omwille van de hoge kilometerprijs voor de
minder-mobiele klant (van 0.5 € tot 1.5 € per kilometer) blijft het gebruik van
dit verplaatsingsmiddel vaak beperkt tot medisch vervoer, terugbetaald door de
ziekteverzekering. In sommige situaties zal de minder-mobiele persoon toch
gebruik maken van dit vervoersaanbod omdat hij over geen andere
vervoersmogelijkheid beschikt. Voor
geregeld gebruik komen deze taxi's niet in aanmerking door de te hoge
kostprijs.
3.8. Minder-MobielenCentrales
Gebaseerd op onderlinge solidariteit
en vrijwilligerswerk bieden de Minder-Mobielen Centrales een goedkoop
alternatief voor het ontbreken van een vervoersaanbod voor sommige
minder-mobiele personen. Het vervoer gebeurt in principe met de eigen wagen van
de vrijwilliger (in een beperkt aantal Mindermobielencentrales heeft men via
sponsoring een aangepaste wagen aangekocht).
Aangezien men meestal niet beschikt
over aangepaste wagens of busjes komt dit aanbod niet in aanmerking voor de
meeste rolstoelgebruikers.
Bovendien is het gebruik uitgesloten
voor wie over een hoger inkomen beschikt.
3.9. Diensten voor Aangepast Vervoer
Een aantal verenigingen, werkzaam rond
de integratie van fysiek gehandicapten, namen het initiatief om zelf een Dienst
voor Aangepast individueel Vervoer op te richten.
Deze diensten bieden aangepast vervoer
aan tegen een prijs vergelijkbaar met de kilometerprijs die een
niet-gehandicapte burger betaalt voor zijn verplaatsingen met de eigen wagen.
Wegens gebrek aan werkingsmiddelen en personeel bleven sommige initiatieven in
de kinderschoenen steken, andere verdwenen na verloop van tijd.
Momenteel zijn er in Vlaanderen en
Brussel elf specifieke diensten voor aangepast vervoer actief en verenigd in
ODAV.
Uit het voorgaande overzicht blijkt
dat het bestaande specifiek vervoersaanbod voor minder-mobielen niet
gelijkwaardig tegemoetkomt aan de behoeften van gehandicapte en minder-mobiele
personen, zoals het gewone vervoersaanbod tegemoetkomt aan de vervoersbehoefte
van mobiele burgers.
Voor een integrale, professionele en
betaalbare oplossing van de individuele vervoersvraag van minder-mobiele
personen opteren wij voor de uitbouw van regionale Diensten Aangepast Vervoer
in gans Vlaanderen, complementair aan een verdere uitbouw van aangepast
openbaar vervoer en budgetgerichte oplossingen.
IV. WERKING VAN DE REEDS BESTAANDE DIENSTEN VOOR AANGEPAST VERVOER
In Vlaanderen bestaan er momenteel een
elftal diensten voor aangepast vervoer
maar het aanbod is nog beperkt en regionaal ongelijk gespreid.
Een korte beschrijving van elk van
deze diensten is toegevoegd in bijlage 1.
Hoewel ze op verschillende manieren
gegroeid zijn, werken de diensten grotendeels gelijkaardig.
4.1. Doelstelling
Het aanbieden van aangepast vervoer
aan personen die, omwille van hun functionele of motorische beperkingen, geen
gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer of van de andere
verplaatsingsmiddelen die ter beschikking zijn van valide burgers, of maar
gedeeltelijk gebruik kunnen maken van toegankelijk openbaar vervoer.
4.2. Werking
Aanvragen voor vervoer kunnen
dagelijks telefonisch of schriftelijk gedaan worden bij de permanentie van de
dienst. Op basis van deze aanvragen
worden rittenschemas opgesteld.
Het vervoer verloopt dus niet via
vaste trajecten en uren zoals het openbaar vervoer, maar steeds op aanvraag van
de individuele gebruiker. Waar dit mogelijk is, wordt er in het
verplaatsingstraject van de minder-mobiele persoon gebruik gemaakt van het
openbaar vervoer.
|
DIENST |
AANTAL CLIËNTEN (1) |
AANTAL WAGENS (2) |
AANTAL RITTEN (3) |
AANTAL KM/JAAR (4) |
|
DAV ANTWERPSE
ROLKAR |
500 |
3 |
9131 |
213002 |
|
DAV HANDICAR
ZOERSEL |
290 |
2 |
2801 |
72065 |
|
DAV GRIMBERGEN |
252 |
5 |
7243 |
269261 |
|
DAV MOBIEL LEUVEN |
227 |
2 |
1168 |
67940 |
|
SOCIAAL VERVOER BRUSSEL |
299 |
4 |
10980 |
86719 |
Tabel 1: beschikbare cijfergegevens
2001
(1) Het aantal cliënten vermeld in de
voorgaande tabel is het aantal verschillende gebruikers dat in de loop van 2001
een beroep gedaan heeft op de dienst om zich te verplaatsen.
(2) Alle diensten zoeken moeizaam
fondsen bij elkaar om de nodige wagen(s) aan te kopen en deze aan te passen.
(3) Het aantal ritten wordt door alle
diensten geregistreerd.
Het relatief grote verschil in aantal
ritten bij de vervoerdiensten is vooral het gevolg van het aantal beschikbare
wagens, van het gemiddeld aantal kilometer per rit en van het beschikbare
personeel.
Elke dienst moet geregeld ritaanvragen
weigeren wegens gebrek aan wagens en personeel.
(4) De vermelde kilometers zijn
kilometers gereden voor de verplaatsing van gebruikers, gerekend van
standplaats tot standplaats.
Het aantal wagens waarover de diensten
beschikken is mee bepalend voor het aantal kilometers dat door elke dienst
gereden wordt, evenals het beschikbare personeel..
4.3. Personeel
Op dit punt zijn er tussen de
vervoerdiensten grote verschillen, zowel wat het aantal personeelsleden als wat
hun statuut betreft.
Niettegenstaande de diensten ook met
vrijwilligers werken of gewerkt hebben, zijn ze tot de bevinding gekomen dat
een werking, enkel gebaseerd op vrijwilligers, onvoldoende garanties biedt om
de continuïteit van de dienstverlening te verzekeren.
Het personeel dient in vast
dienstverband te werken, aangevuld met vrijwilligers, om het wagenpark optimaal
te benutten.
4.4.
Toekomstperspectieven
Het beperkte aanbod van diensten voor
aangepast vervoer kan op korte termijn in het gedrang komen, door de
onzekerheid over de huidige tewerkstellingsstatuten en door de onzekerheid over
de financiële steun, die momenteel gegeven wordt in de vorm van overbruggingskredieten.
Nochtans bewijzen deze diensten reeds
jaren dat hun inzet tegemoetkomt aan een concrete nood.
Om de bestaande werking op peil te
houden moeten deze diensten de zekerheid krijgen over het behoud van het
huidige personeel en moeten zij de nodige werkingsmiddelen toegekend krijgen.
Om alle minder-mobiele personen
dezelfde rechten te geven met betrekking tot hun mobiliteit moet er op termijn
een voldoende groot aanbod van Diensten Aangepast Vervoer ontstaan, gespreid
over het ganse Vlaamse grondgebied, in samenhang en complementariteit met de
ontwikkeling van toegankelijk openbaar vervoer. Een wettelijke regeling moet
hiervoor de basis leggen en kan op termijn een continu en uniform aanbod in
Vlaanderen garanderen.
V. VOORSTEL
TOT UITBOUW VAN REGIONALE DIENSTEN AANGEPAST VERVOER VOOR GEHANDICAPTEN EN
MINDER-MOBIELEN
Het volgende voorstel tot uitbouw van regionale
vervoerdiensten is gebaseerd op de werking en de opgedane ervaring van de nu
werkende diensten voor aangepast vervoer.
5.1. Aantal,
spreiding en grootte van de vervoerdiensten
De opgedane ervaring bij de werkende
diensten laat vermoeden dat per 150.000 inwoners de vraag naar aangepast
vervoer kan beantwoord worden door het inzetten van 2 voertuigen.
De ervaring wijst ook uit dat een
dienst die soepel en rendabel wil werken over minstens 4 voertuigen moet
beschikken en dus een gebied met minstens 300.000 inwoners moet bedienen.
Het werkingsgebied van een bepaalde
dienst kan begrensd worden door de arrondissementgrenzen. Telt een
arrondissement minder dan 300.000 inwoners, dan kan het samengevoegd worden met
één (of meer) aangrenzend(e) arrondissement(en) tot het aantal inwoners minstens
300.000 bedraagt.
Dit wordt geïllustreerd in volgende
tabel.
|
ARRONDISSEMENT OF GROEP VAN
ARRONDISSEMENTEN |
AANTAL INWONERS |
MIN.AANTALDIENSTEN |
MIN. AANTAL VOERTUIGEN |
|
Antwerpen Mechelen Turnhout Halle-Vilvoorde Leuven Ninove Hasselt Aalst Gent Maaseik,Tongeren St.Niklaas,Dendermonde Brugge,Eeklo Kortijk,Oudenaarde Ieper,Tielt, Roeselare Oostende, Diksmuide, Veurne Brussel (+/- 25% Vlamingen) |
920.000 295.000 370.000 520.000 420.000 300.000 360.000 260.000 485.000 375.000 395.000 340.000 390.000 325.000
230.000 250.000 |
3 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1 1
1 1 |
12 4 4 6 5 4 4 4 5 4 4 4 4 4 4
4
|
|
TOTAAL
|
6.325.000 |
18 |
76 |
In een arrondissement met meer dan
300.000 inwoners is per extra 100.000 inwoners een supplementaire wagen met de
nodige chauffeurs onontbeerlijk. Wanneer een arrondissement meer dan 600.000
inwoners telt zal een opsplitsing in twee afzonderlijke diensten de voorkeur
genieten.
Een achttiental diensten met een
minimum 76 aangepaste voertuigen volstaan dus om in gans Vlaanderen en Brussel
een aanbod van Aangepast Vervoer te garanderen.
5.2. Geleidelijke, stapsgewijze uitbouw
Het uitbouwen van een dergelijk aanbod
vraagt een stapsgewijze aanpak.
Een eerste stap, nodig op korte termijn, is de erkenning en subsidiëring van de reeds
bestaande diensten voor Aangepast Vervoer. Zij moeten voldoende personeel en
werkingsmiddelen toegekend krijgen om de bestaande werking op peil te houden.
In een tweede fase moeten nieuwe diensten opgestart worden in de arrondissementen waar
nog geen aanbod is en moeten de werkende diensten de mogelijkheid krijgen tot
uitbreiding bij een bewezen stijging van de vraag.
In deze ontwikkeling moet de samenwerking tussen de erkende diensten geregeld
worden zodat het vervoersnet soepel en optimaal gebruikt wordt.
Bij de dispatching van een
vervoersvraag kan dan gebruik gemaakt worden van meerdere Diensten Aangepast
Vervoer evenals van het toegankelijk openbaar vervoer.
5.3.
Werkingsprincipes
Een regionale vervoerdienst gaat uit
van de individuele vervoersvraag van gehandicapten en minder-mobielen zonder
beperking van tijd, plaats of duur.
Voor zover vervoersvragen samenvallen,
in dezelfde richting gaan of op elkaar aansluiten kan vervoer van verschillende
gehandicapten gecombineerd worden. De basis van individuele verplaatsing en
aanrekenen blijft in dit geval echter behouden.
De tarifiëring gebeurt in principe op basis van het
individuele gebruik door één gehandicapte, ongeacht het aantal meerijdende
gehandicapten.
Wachttijden worden niet aangerekend.
De vervoerdienst is vrij om in de tussentijden andere vervoersvragen te
behandelen of in wacht ter plaatse te blijven.
Het vervoer is in principe alle week-
en weekenddagen van 6u30h tot 24h beschikbaar met mogelijkheid tot individuele
afwijkingen in de nacht.
De regionale vervoerdiensten leveren
in principe aangepast vervoer over het gehele land (en buitenland). Om
organisatorische redenen kunnen er overstappen zijn naar andere regionale
vervoerdiensten of andere toegankelijke openbare vervoermiddelen.
De
samenwerking tussen de diensten maakt "gecombineerde ritten"
mogelijk: men kan dan met een aangepast voertuig naar het toegankelijke station
van de woonplaats gaan, bij aankomst in het station van bestemming zorgt de
plaatselijke dienst voor de transfert naar de eindbestemming.
Behoudens in urgentiesituaties wordt
er slechts assistentie geleverd door de chauffeurs in zoverre deze aansluit op
de vervoersactiviteit maar geen deel uitmaakt van de doelactiviteit van de
klant.
5.4. Organisatie
Vervoersaanvragen worden schriftelijk,
telefonisch of ter plaatse ingediend bij de dispatching van de Dienst voor
Aangepast Vervoer.
Een ritaanvraag moet de volgende
elementen bevatten:
-Het volledig adres en telefoonnummer
van de aanvrager
-Datum, plaats en uur van vertrek
-Plaats van bestemming en gewenst uur van toekomen
-De nodige assistentie bij in- en
uitstappen.
De aanvragen worden afgehandeld in
chronologische volgorde. Als de vervoersaanvraag kan ingewerkt worden in het
rittenschema dan wordt dit telefonisch bevestigd. Aanvragen kunnen tot het
laatste moment gemeld worden, maar liefst zo vroeg mogelijk.
Bij een volzet rittenschema binnen een
regio kan een andere regionale dienst ingeschakeld worden volgens zijn
mogelijkheden.
Bij ritten buiten de
arrondissementsgrenzen kan systematisch met het Toegankelijk Openbaar Vervoer
en met de andere regionale diensten samengewerkt worden.
Om de dienstverlening te garanderen is
het de bedoeling dat er een reserveregeling uitgebouwd wordt die de afwezigheid
van chauffeurs of het uitvallen van een wagen kan opvangen.
5.5. Wagenpark.
Hierboven is reeds gesteld dat een
volledig uitgebouwde dienst over minstens vier aangepaste wagens moet kunnen
beschikken.
Het spreekt vanzelf dat de meeste
wagens vlot toegankelijk moeten zijn voor elektrisch aangedreven rolwagens.
Rolwagens moeten stevig en snel kunnen vastgezet worden met een aangepast
vasthechtingssysteem. Het zicht naar opzij en naar voor moet voor de passagiers
mogelijk gemaakt worden door het aanbrengen van extra ruiten waar dit nodig is.
Het voertuig moet volledig en
voldoende verwarmd, verlicht en verlucht kunnen worden.
De
passagiersruimte moet minimaal 140 cm hoog zijn, maar de voorkeur gaat uit naar
een volwaardige stahoogte: 175 cm of meer.
Met het oog op de kwaliteit van de
dienstverlening kunnen de wagens van erkende diensten herkenbaar gemaakt worden door het aanbrengen van een specifiek,
wettelijk en beschermd pictogram.
Om een vlotte communicatie mogelijk te
maken tussen de chauffeurs en de centrale worden de aangepaste voertuigen bij
voorkeur uitgerust met een communicatiesysteem dat een directe verbinding met
de centrale van de dienst mogelijk maakt.
5.6. Personeel
Wil een Dienst voor Aangepast Vervoer,
zoals hierboven beschreven, optimaal kunnen functioneren dan vraagt dat minimum
de volgende personeelsomkadering:
-1 voltijdse coördinator
-1 voltijdse
dispatcher/administratieve kracht
-8 à 9 chauffeurs (zie berekening in
bijlage 2)
De coördinator staat in voor de
algemene leiding van de dienst, de boekhouding en het opvolgen van de
betalingen, de uurroosters, de externe contacten en de coördinatie met de
andere regionale vervoerdiensten.
De dispatcher is verantwoordelijk voor
de telefoonpermanentie, de organisatie
van de ritten, de taakverdeling onder de chauffeurs, het toezicht op het
onderhoud van het wagenpark, de facturatie en de verwerking van de ritgegevens.
Om vier wagens alle dagen van het jaar
tussen 6u30 en 24u te kunnen inzetten zijn er ongeveer 9 chauffeurs nodig
(berekening en verantwoording in bijlage 2). De chauffeurs staan naast het
vervoer ook in voor het dagelijks onderhoud van de wagens.
Een vervoerdienst in een
arrondissement met meer dan 300.000 inwoners heeft per extra schijf van 100 000
inwoners minstens een extra wagen en 1
à 2 extra chauffeurs nodig.
5.7. Juridische vorm.
Het zijn bij voorkeur Verenigingen
Zonder Winstoogmerk (V.Z.W.’s) die in aanmerking komen voor een erkenning als
vervoerdienst.
De erkenningsnormen moeten voldoende
uniformiteit in de werking, in de samenwerking met andere diensten en het
Openbaar Vervoer en in de tarifiëring garanderen.
In De Raad van Bestuur van de erkende
V.Z.W. zijn de gebruikers vertegenwoordigd.
5.8. Financiering
De werking van de diensten Aangepast
Vervoer kan gedeeltelijk gefinancierd worden door de bijdrage van het
cliënteel, de overige werkingsmiddelen moeten gesubsidieerd worden door de
verantwoordelijke overheid.
De bijdragen van de klanten moeten die
kosten dekken die ook de gewone burgers betalen voor hun verplaatsingen. De
extra kosten als gevolg van het minder-mobiel zijn door handicap worden niet
doorgerekend aan de gebruikers.
Deze kostencomponenten zijn duidelijk
af te bakenen. Extra kosten omwille van de handicap zijn: de kosten van de
aanpassingen aan het voertuig, de loonkosten van het personeel en de
werkingskosten van de dienst.
Algemene kosten zijn kosten met
betrekking tot de afschrijvingen, verzekering en pechverhelping, brandstof en
verkeersbelasting, onderhoud en herstelling van de voertuigen.
Rekening houdend met dit principe en
op basis van een eenvoudige kostprijsberekening, zal een opgelegde, uniforme
tarifiëring mogelijk zijn (zie bijlage 4: kilometerprijsberekening). Dit is een
basisvoorwaarde voor coherente netwerk-samenwerking.
Dit uniform tarief kan jaarlijks
aangepast worden na overleg met de erkende diensten.
VI. BESLUIT
Alle inspanningen van de laatste jaren
op het vlak van ambulante zorg, opleiding, scholing, tewerkstelling, wonen,
integratie en participatie van personen met een handicap zullen maar renderen
wanneer ook de mobiliteit gegarandeerd is.
Uit werken gaan, naar school gaan,
zelfstandig wonen en leven, eisen een geregeld en verzekerd gebruik van
toegankelijk vervoer.
Regionaal uitgebouwde Diensten
Aangepast Vervoer zijn dan ook de onmisbare voorwaarde om de integratie van
personen met een handicap een volwaardige kans op slagen te geven.
Met dit dossier willen de reeds
bestaande Diensten Aangepast Vervoer de discussie ten gronde verder zetten over
de uitbouw van regionale vervoerdiensten in Vlaanderen, in de context van een
grotere toegankelijkheid tot het maatschappelijk aanbod voor alle leden van
onze samenleving.
ODAV, september 2002